Planschade: aanvang verjaringstermijn en indienen planschadeverzoek

Publicatiedatum: 2 december 2020 11:12
In artikel 6.1 lid 4 Wro is geregeld dat compensatie van geleden planschade verjaart. Dat wil zeggen dat binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van een planologische maatregel als gevolg waarvan wordt gesteld schade te lijden, een aanvraag om planschadevergoeding bij de gemeente moet worden ingediend. Na verloop van die periode van 5 jaar is een beroep op een planschadevergoeding niet meer mogelijk. Op 3 augustus 2020 heeft de Rechtbank Zeeland-West- Brabant geoordeeld in een zaak of tijdig een aanvraag om tegemoetkoming in planschade was ingediend. Daarnaast heeft de rechtbank in deze zaak beoordeeld of het indienen van een planschadeverzoek enkel schriftelijk mogelijk is. Jurist Leonie Vos houdt de zaak tegen het licht.

Wat was er aan de hand?

Eiseres heeft het eigendom van een perceel waarbij de bedrijfsvoering zich richt op de teelt van granen, peulvruchten en oliehoudende zaden. Het perceel had onder het oude bestemmingsplan een agrarische bestemming met een bouwvlak. Binnen dit vlak mochten bedrijfsgebouwen worden opgericht. Op 25 juni 2013 heeft de gemeente een beheersverordening  vastgesteld. De beheersverordening is op 4 juli 2013 in werking getreden en onherroepelijk geworden. Op grond van deze beheersverordening heeft een deel van de gronden van eiseres de bestemming ‘verkeersdoeleinden’ gekregen, wat heeft geleid tot verval van het bouwvlak dat er voorheen lag. Hierdoor kunnen op het perceel nu minder gebouwen dan voorheen worden opgericht. 

Op 18 september 2018 heeft eiseres een aanvraag om tegemoetkoming in planschade bij de gemeente ingediend vanwege het ‘wegbestemmen’ van het agrarisch bouwvlak.

Bij besluit van 18 december 2018 (primair besluit) heeft het college van burgemeester en wethouders de aanvraag afgewezen, omdat de aanvraag meer dan vijf jaren na inwerkingtreding van de beheersverordening was ingediend. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft het college van burgemeester en wethouders het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Eiseres stelt in beroep dat het college de aanvraag niet wegens overschrijding van de aanvraagtermijn had mogen afwijzen. Zij stelt dat geen sprake is van een termijnoverschrijding omdat zij van begin af aan heeft aangegeven dat, als het ‘wegbestemmen’ definitief wordt, zij schadevergoeding wenst. Ook stelt zij dat een aanvraag om tegemoetkoming in planschade niet schriftelijk hoeft te worden ingediend. Ook voert zij aan dat bij haar lang onduidelijkheid over de oorzaak van de gestelde schade heeft bestaan. En dat deze onduidelijkheid onder meer door de handelswijze van een wethouder en ambtenaren van de gemeente is ontstaan.

Uitspraak

In deze uitspraak staat ter beoordeling of eiseres tijdig, dus binnen vijf jaar na onherroepelijk worden van de beheersverordening, een aanvraag om tegemoetkoming in planschade heeft ingediend. 

Op grond van artikel 6.1 lid 4 Wro is aangegeven dat een aanvraag om tegemoetkoming in schade moet worden ingediend binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. 

De rechtbank was van oordeel dat een aanvraag om tegemoetkoming in planschade enkel schriftelijk kan worden ingediend. Dit volgt uit artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat een aanvraag schriftelijk moet worden ingediend tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In de Wro of andere relevante regelgeving komt geen bepaling voor waaruit blijkt dat de aanvraag mondeling of op andere wijze kan worden ingediend. 

Nu de beheersverordening op 4 juli 2013 in werking is getreden en daarmee onherroepelijk is geworden, diende eiseres op grond van art. 6.1, vierde lid, van de Wro binnen vijf jaar nadien een schriftelijke aanvraag om tegemoetkoming in planschade in te dienen. Door de aanvraag pas op 18 september 2018, dus buiten de termijn van vijf jaar, in te dienen, heeft zij de aanvraag te laat ingediend.

Dit betekent volgens de rechtbank dat het college het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag wegens termijnoverschrijding terecht ongegrond heeft verklaard. De rechtbank ziet geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, omdat een wettelijk voorschrift hiervoor ontbreekt.

Nadere toelichting

Uit deze uitspraak blijkt dat een aanvraag om tegemoetkoming in planschade op grond van artikel 6.1 Wro enkel schriftelijk mogelijk is. Uit de planschadepraktijk blijkt verder dat niet altijd even duidelijk is op welke termijn de verjaringstermijn van artikel 6.1 lid 4 Wro nu precies aanvangt. Ondanks dat in de onderhavige zaak geen onduidelijkheid over de aanvang van de verjaringstermijn bestond, blijkt in de praktijk daar af en toe wel discussie over te bestaan.  Op 18 maart 2020 heeft de Afdeling wel een duidelijke uitleg van de verjaringstermijn van artikel 6.1 lid 4 van de Wro gegeven.  
>> Naar de uitspraak   

In die zaak waren partijen verdeeld over het antwoord op de vraag op welke dag die termijn in dat geval was aangevangen. In deze zaak stond ter discussie of de appellanten één dag te laat waren met het indienen van de aanvraag om een tegemoetkoming in de planschade. Het ging in deze zaak om een bestemmingsplan dat op 25 juni 2012 was vastgesteld. Dit bestemmingsplan was bij uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2013 onherroepelijk geworden. Op 13 maart 2018 hadden appelanten een aanvraag ingediend. Op welke dag vangt de verjaringstermijn nu precies aan? 

De Afdeling overweegt dat uit de tekst van artikel 6.1 lid 4 van de Wro niet zonder meer volgt dat de dag waarop het nieuwe bestemmingsplan onherroepelijk is geworden (in casu 13 maart 2013), de eerste dag is waarop de verjaringstermijn aanvangt. In dat kader wijst de Afdeling op de geschiedenis van de totstandkoming van het artikel. Daaruit blijkt volgens de Afdeling dat de termijn gebaseerd is op artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek. Daaruit volgt dat de vijfjarige verjaringstermijn niet eerder aanvang kan nemen dan op de dag ná die waarop de schadevordering opeisbaar is geworden. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 6.1 lid 4 van de Wro valt niet af te leiden dat de wetgever bij planschade een ander uitgangspunt heeft willen afdoen. Dat betekent volgens de Afdeling dat de termijn voor het indienen van de aanvraag om tegemoetkoming in schade als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan is aangevangen op 14 maart 2013. In deze zaak waren de aanvragen om tegemoetkoming tijdig, namelijk op de laatste dag van de termijn (13 maart 2018), ingediend. Uit deze uitspraak van de Afdeling volgt duidelijk dat de dag ná het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan volgens de Afdeling de eerste dag van de vijfjaarstermijn is. Op grond van deze uitspraak zal geen discussie meer kunnen ontstaan over de aanvang van de verjaringstermijn van artikel 6.1 lid 4 Wro. 

 

 

Contact

Telefoon: 088-8883000

E-mail: info@thorbecke.nl

 

 

 

Volg ons via

 

 

 

Terug naar

Missie van Thorbecke

Door daadkracht én in samenwerking
publieke organisaties verder brengen

 

 

Thorbecke Nieuwsbrief

 

Contact

088-8883000
info@thorbecke.nl