Minder planschadeverzoeken door verhoging normaal maatschappelijk risico?

Door: mr. Julian Schooljan, jurist

Publicatiedatum: 1 mei 2019 10:50
Waardedaling van onroerend goed als gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is in Nederland aan de orde van de dag. Met veel en steeds meer mensen op dit klein stukje aarde valt er niet aan te ontkomen dat nieuwe plannen een negatieve invloed hebben op de waarde van omliggende objecten. Hiervoor kan een planschadevergoeding worden aangevraagd bij de betrokken overheid. Daarbij is tot nu toe door de wetgever bepaald dat een percentage van ten minste 2 procent van de waarde van het betreffende object voor eigen rekening komt, als ‘normaal maatschappelijk risico’. In de rechtspraak is dit normaal maatschappelijk risico de laatste jaren steeds vaker verhoogd naar 3 en zelfs 5 procent, en het lijkt erop dat onder de aanstaande Omgevingswet standaard een hoger (vast) percentage zal worden gehanteerd. Wat betekent dit voor de planschadepraktijk?

Ja, mits…

De Omgevingswet gaat uit van het principe ‘ja, mits’ in plaats van ‘nee, tenzij’. In dat kader acht de wetgever het wenselijk om de drempel voor het verkrijgen van een planschadevergoeding te verhogen. In eerste instantie wilde de wetgever toe naar een vast percentage van 5 procent, maar dit voornemen is op 7 maart 2019 door de Tweede Kamer afgezwakt naar 4 procent.

Minder planschadeverzoeken door hoger normaal maatschappelijk risico?

Op het eerste gezicht zou je denken dat een verhoging van het normaal maatschappelijk risico leidt tot minder planschadeverzoeken en lagere planschadevergoedingen. Of dat ook daadwerkelijk zo zal zijn, is nog maar de vraag. Niet alleen omdat het normaal maatschappelijk risico de laatste jaren in de rechtspraak al steeds verder is opgeschroefd, maar vooral ook doordat onder de aanstaande Omgevingswet tegelijkertijd méér besluiten grondslag zullen bieden voor een planschadevergoeding. Immers, straks kan ook een planschadeverzoek gericht worden tegen planologische besluiten die geheel in lijn zijn met het omgevingsplan, doordat de ‘peildatum’ voor het verkrijgen van een planschadevergoeding onder de Omgevingswet verschuift in de richting van het moment waarop feitelijk schade geleden wordt. Met andere woorden: Straks kan een planschadeverzoek worden ingediend tegen iedere verleende omgevingsvergunning, en voor zover voor de betreffende activiteit geen omgevingsvergunning vereist is kan een planschadeverzoek worden ingediend zodra degene die de activiteit gaat verrichten (1) aan het bevoegd gezag informatie over die activiteit heeft verstrekt volgens de regels die daarvoor gelden, of (2) met de activiteit is begonnen. Eén en ander kan er niet alleen voor zorgen dat de betrokken overheid op de lange termijn juist méér planschade dient uit te keren ondanks een hoger normaal maatschappelijk risico, maar kan ook zorgen voor hogere administratieve lasten voor de behandeling van planschadeverzoeken. Weliswaar hoeft het normaal maatschappelijk risico op dat moment niet meer beoordeeld te worden, maar de (feitelijke) planvergelijking  roept tegelijkertijd nieuwe vragen op. Zo zal bij de beoordeling van een aanvraag bijvoorbeeld relevant worden of de schade inderdaad wordt veroorzaakt door een activiteit die overeenkomstig het omgevingsplan wordt verricht, terwijl die vraag op dit moment buiten beschouwing kan blijven door de formele rechtskracht van het schadeveroorzakende besluit.

Afgewezen

De Kamerleden Ronnes (CDA) en Smeulders (GroenLinks) hebben nog geprobeerd om het normaal maatschappelijk risico onder de Omgevingswet op ‘ten minste 2 procent’ te houden, maar vonden daar uiteindelijk geen meerderheid voor in de Tweede Kamer. Ook een motie van SGP-Kamerlid Bisschop om onder de Omgevingswet planschade toe te kennen bij de vaststelling van het omgevingsplan (zoals dat nu ook geldt voor het bestemmingsplan) is afgewezen. Tegenstanders daarvan vrezen dat vernieuwende initiatieven op die manier in de kiem gesmoord worden, in strijd met de geest van de Omgevingswet.

Conclusie 

Kort en goed: in hoeverre de voorgestelde verhoging van het normaal maatschappelijk risico zal leiden tot minder planschadeverzoeken en lagere planschadevergoedingen valt nog te bezien, mede in het licht van de (gelijktijdig) beoogde verschuiving van de ‘peildatum’. Het is zonder meer waar dat door deze verschuiving op voorhand minder planschade zal hoeven te worden uitgekeerd, maar het is niet uitgesloten dat deze kosten op lange termijn juist hoger zullen uitvallen ondanks een hoger normaal maatschappelijk risico. 
Zeker voor toekomstige inbreidingslocaties geldt dat de voorgestelde verhoging eerder voor méér planschade zal zorgen dan nu het geval is. Op dit moment hanteert de rechter in die gevallen immers vaak al een (hoger)  percentage van 5 procent. Voor de betrokken overheden en ontwikkelaars is het goed zich daar bewust van te zijn.









mr. Julian Schooljan



Contact

Telefoon: 088-8883000

E-mail: info@thorbecke.nl




Volg ons via




Terug naar

Missie van Thorbecke

Door daadkracht én in samenwerking

publieke organisaties verder brengen



Thorbecke Nieuwsbrief


Contact

088-8883000
info@thorbecke.nl